Loatemsche Kleppe Poetry Sint-Martens-Latem Articles on art Biography Home
 
 
             
Home
Biography
Loatemsche Kleppe
Writings
Publications
Laethemschen Vriendenking
Gallery
Links
Contact

 

 

 

Home / Writings / Articles on Sint-Martens-Latem / Musea

DE LATEMSE MUSEA

Sint-Martens-Latem, gezegend oord van de Vlaamse kunst, zoals Paul Haesaert het kunstenaarsdorp in zijn standaardwerk over de kunst omschreef, streefde sinds een een halve eeuw om het oeuvre van zijn verdienstelijke kunstenaars in een museum te kunnen onderbrengen.
Er mochten dan ook heel wat kunstenaars in het Leiedorp gewoond en gewerkt hebben een heus museum was er niet.
Deze lacune werd pas in 1959 opgevangen door de Latemse Artiestenzolder in het thans verdwenen gemeentehuis, waar een klein deel van het gemeentelijk kunstpatrimonium was ondergebracht.

Reeds in 1924 hadden gemeentesecretaris Hugo Van den Abeele en zijn vriend, kunstcriticus Georges Chabot, het initiatief genomen de werken van de befaamde Latemse School in eigen gemeente tentoon te stellen. Als locatie kozen ze daarvoor het eerder bescheiden atelier aan de Latemstraat 16 waar Gustave Van de Woestijne en Alfons Dessenis hadden gewerkt. Hun ijver om de Latemse kunst te promoten haalde toen zelfs de internationale pers en moet ergens de oorsprong geweest zijn van de - onterechte - naamgeving Latemse School.
Dit initiatief zou diezelfde Hugo Van den Abeele en Julius De Praetere in 1926 op het idee brengen om in de Meersstraat, aan de oever van de Leie, een museumgebouw te laten optrekken.
Jammer genoeg was hun project omwille van het overstromingsgevaar, maar ook financieel, niet haalbaar en moest de gemeente op haar honger blijven.
Sint-Martens-Latem kreeg dan met de fusie der gemeenten, toen Deurle erbij kwam, opeens drie musea in de schoot geworpen: het Museum Gust De Smet, het Museum Leon De Smet en het Museum Dhondt-Dhaenens.
Pas in 1992 was er uitzicht op een museum op "Latemse grond", toen besliste het gemeentebestuur immers het Domein Gevaert-Minne aan te kopen en het woonhuis-atelier om te bouwen tot een gemeentelijk museum.

 

GEMEENTELIJK MUSEUM GUST DE SMET
Het Museum Gust De Smet aan de Museumlaan 1, kwam er in 1950 toen het toenmalig gemeentebestuur van Deurle besloot de woning van Gust De Smet, met de resterende inboedel en schilderijen, voor het publiek open te stellen. De schilder had er gewoond en gewerkt van 1935 tot aan zijn dood in 1943. De catalogus, van de hand van Piet Boyens, vermeldt een honderdtal werken, waarvan uiteraard slechts een selectie wordt tentoongesteld. De vroegste werken dateren uit zijn Nederlandse periode, toen hij het impressionisme reeds de rug toegekeerd had en zich voluit op expressionisme had gestort.

De woning was een legaat van de kunstenaar aan Deurle, maar dan wel onder de voorwaarde dat de woning als openbaar museum zou worden ingericht. Na de dood van zijn vrouw Gusta, in 1948, worden huis en inboedel aan de gemeente overgemaakt. De gemeenteraad van Deurle aarzelt in eerste instantie om het legaat te aanvaarden. Het gebouw werd toen geschat op 150.000 frank en de inboedel - de honderd kunstwerken incluis - op 213.000 frank. Die twijfel kwam er omdat het woonhuis met goedkope middelen gebouwd was en dat het inrichten van een museum een bijkomende personeelskost betekende voor de gemeentekas, daarbij, argumenteerde men, ...wie heeft nu belangstelling voor al die schilderijen? Niemand kon toen maar ook vermoeden welke astronomische waarde die kunstwerken vijftig jaar later zouden hebben.

Dankzij de overredingskracht van gemeentesecretaris Urbain Van den Heede en zijn Latemse collega Hugo Van den Abeele werd het legaat uiteindelijk toch aangenomen.
In 1990 werd het museum gerenoveerd en de duizenden bezoekers worden er wegwijs gemaakt door conciërge Astère Verhegghe, die als jongeling de kunstenaar van nabij gekend heeft en heel wat sappige anekdotes heeft uit die periode.


MUSEUM LEON DE SMET

Het Museum Leon De Smet ligt, om het in Deurlese termen te zeggen, op een boogscheut van het Museum Gust De Smet. Dit mooie gebouw is niet zozeer een museum, maar eerder één van de acht kunstgalerijen die Sint-Martens-Latem rijk is. Een aparte vleugel is echter voorbehouden aan documentatie over en werken van Leon De Smet.

Kunstschilder Leon De Smet was zich in 1926 te Deurle komen vestigen in de tuin van het voormalige hotel-restaurant Le Rally Saint-Christophe, in een witgeschilderd houten tuinhuis, dat hijzelf had opgeknapt tot atelier en leefruimte. Kunstcriticus Paul Haesaert liet in 1928 naast het optrekje van Leon De Smet een bungalow bouwen om er in alle rust te werken aan zijn standaardwerk "Flandre". Toen Haesaerts in 1930 Deurle verliet, kocht Leon de bungalow en bleef er wonen en schilderen tot aan zijn dood in 1966.
Zijn levensgezellin, Jeanne Baekelandt, stelde het huis open voor bezoekers en noemde het Museum Leon De Smet. Kort daarop werd de Rally Saint-Christophe verkocht en moest ook het "museum" verdwijnen. Jeanne Baeckelandt liet dan een honderdtal meters verder een nieuwe, moderne bungalow bouwen aan de Museumlaan 18. Het uiteindelijke museum werd plechtig opengesteld op 19 december 1969. Sinds 1990 is het gebouw eigendom van Raf en Koen Lingier, die de traditie van het Museum Leon De Smet in ere houden en een vleugel gebruiken als tentoonstellingsruimte voor hedendaagse kunstenaars.

In de "achtertuin" van de huidige Residentie Sint-Kristoffel staat zowat het belangrijkste museum dat het kunstenaarsdorp rijk is, De Stichting Mevrouw Jules Dhondt-Dhaenens.

 

HET MUSEUM DHONDT DHAENENS, nu MDD

Het museum werd gebouwd in 1967-68 in opdracht van Jules Dhondt en van zijn echtgenote Irma Dhaenens. Jules Dhondt was een succesvol Gents zakenman die zich in 1938 in de Pontstraat kwam vestigen. Hij had veel contacten in de kunstwereld en bouwde een mooie verzameling op.

Door zijn felle Vlaamse overtuiging kocht hij voornamelijk kunst uit eigen streek, maar toch treffen we in zijn collectie ook werk van o.a. Constant Meunier, James Ensor, Eugène Laermans en Jacob Smits. Zijn hart ging echter voornamelijk naar de plaatselijke artiesten. Hij verzamelde werk van George Minne, Albert Servaes, de gebroeders De Smet, Gustave Van de Woestijne, Frits Van den Berghe en Jenny Montigny. Ook Jan Burssens en Henri Wolvens konden hem bekoren.
Gezien het echtpaar hun enige zoon hadden verloren, was er geen rechtstreekse erfgenaam meer. Om de verspreiding van de verzameling te voorkomen overwoog Jules Dhondt het bouwen van een museum waar zijn kunstwerken permanent zouden tentoongesteld worden en dat publiek toegankelijk zou zijn. Daartoe stichtte hij een instelling van openbaar nut. Het gebouw, een concept van architect Erik Van Biervliet, en werd op 30 november 1968 plechtig geopend. Jules Dhondt was de eerste voorzitter van de beheerraad. Bij de openstelling vertegenwoordigden de 122 schilderijen en 18 beelden van 47 verschillende kunstenaars een waarde van 30 miljoen frank.
Een selectie daaruit wordt thans af en toe tentoongesteld. In de tweede zaal en de hal wordt vooral aandacht besteed aan de hedendaagse, moderne en conceptuele kunst.
Een beheerswissel zorgde voor een nieuwe "look" en een nieuwe curator, onder wiens beleid de stichting moet uitgroeien tot één der belangrijkste centra voor het kunstgebeuren in Vlaanderen, met zowel oog voor de plastische kunst, de lyrische kunst en als voor de muziek en het concertgebeuren.


GEMEENTELIJK MUSEUM GEVAERT MINNE  

Het Gemeentelijk Museum Gevaert-Minne aan de Kapitteldreef 45 kwam er in zijn oorspronkelijke staat in 1922-1925, toen Edgar Gevaert er zijn domein verwierf. Oorspronkelijk was het 9 hectare groot. Het is gesplitst door de Kapitteldreef en zal later uitgroeien tot een prachtig stukje natuurgebied van 25 hectare.
Het was Edgar Gevaert zelf die de plannen tekende en zich daarbij liet inspireren door zijn voorouderlijke hofstede, de 16de eeuwse hoeve "Ter Mere" in Mater. In het boek "De Leie" van Armand Vermeulen, eredirecteur-generaal van AROHM, lezen we: <De stijl van het landhuis Gevaert is een goed voorbeeld van een streekgebonden landelijke bouwkunst, die accenten kreeg door persoonlijke interpretatie van de kunstenaar-bouwheer. In de loop der tijden kreeg het oorspronkelijke huis de allure van een grootse landbouwuitbating, perfect ingeplant in het oorspronkelijke landschap. >
In 1934 bouwt Gevaert, naar de ideeën van de socialistische politicus Hendrik De Man, een tweede atelier in kubusvorm. Toen de familie, na het oorlogsgeweld, terugkwam uit Frankrijk, werden de vernielde serres vervangen door twee kubusvormige ruimtes.
Tot het huidige museum behoren nu ook de vroegere werkkamer van Edgar Gevaert, nu Zaal Minne; een vierkante eetruimte van de familie, Zaal Gevaert en de latere dubbele aanbouw aan de zuidwestgevel, nu Zaal Latemse Schilders en vroegere Zaal Kruisweg.
Het Gemeentelijk Museum Gevaert-Minne heeft thans nog een totale oppervlakte, bebouwd en onbebouwd, van 3 hectare. Het museum werd aangekocht zonder enige subsidie van overheidswege en volledig met eigen middelen en eigen personeel gerenoveerd. Het bevat naast de werken van George Minne en Edgar Gevaert, een ruime waaier werken van Latemse kunstenaars. Kunsthistorica Freya Malfait, tevens voorzitter van De Latemse Kunstkring zorgde voor een gedocumenteerde cataloog. Onder impuls van cultuurfunctionaris Piet Boyens, de toekomstige conservator en het gemeentebestuur wordt met architectenburo Berteloot gewerkt aan de plannen voor renovatie van het museum, dat momenteel enkel na telefonische afspraak (op 09 282 17 70) voor groepen toegankelijk is. Het koninginnestuk
‘De geschilderde Kruisweg’ van Albert Servaes werd in 2005 ondergebracht in de crypte van het gemeentehuis, waar hij beter tot zijn recht komt en meer uitstraling heeft.
De vrijgekomen zaal in Gevaert-Minne zal verbouwd worden tot ‘Zaal Ir. De Smet’, eerste ereburger van Sint-Martens-Latem en schenker van een legaat dat er zal ondergebracht worden.

 

bronnen:
Gemeentelijk Archief en Documentatiecentrum, Gemeentelijke bibliotheek, Gemeentelijke Culturele Dienst & diverse gemeentelijke publicaties.